Een woning naast het fanum

Op het einde van de maand september van 1947 begint prof. De Laet zijn onderzoek met het graven van twee proefsleuven in NZ-OW richting over de breedte van het veld (11 m). Op een diepte van 40 tot 60 cm. werd er in de eerste sleuf een cultuurlaag aangetroffen met veel tegulae en imbrices en enkele scherven van Romeins aardewerk. Op een diepte van 50 cm werden er in de tweede sleuf uitbraaksporen van fundamenten aangetroffen. Uitbraaksporen zijn geen concrete fundamenten, maar wel wat rest als de fundamenten volledig weggebroken worden en de ontstane ruimte wordt opgevuld met ander materiaal. Tussen deze sporen vond men vooral fragmenten van stenen, kalk, kiezels, mortel en tegulae. Volgens prof. De Laet werd de site in latere periodes uitgebaat als steengroeve, bij gebrek aan andere grondstoffen in de regio. Hierbij vernoemt hij de abdij van Meerhem uit de 11de eeuw. Als gevolg van deze ontdekking vond er een groot archeologisch onderzoek plaats. De Laet liet twee grote vlakken openleggen en enkele bijkomende sleuven graven. Het doel was eigenlijk het bekomen van een volledig grondplan van de constructie. Het eindresultaat was het grondplan van een kleine bescheiden woning. De volledige lengte was 20,90 m en de breedte 10,70 m. De noordelijke, oostelijke en zuidelijke fundamenten zijn recht, de westelijke hebben twee vooruitspringende constructies. Langs de binnenzijde zijn er zes kamers. Vijf zijn rechthoekig en de zesde heeft twee uitsprongen. Vermoedelijk vormden deze uitzetten de aanvang van een trap naar de bovenverdieping. Er was geen kelderruimte. In drie verschillende kamers werden er paalgaten gevonden. Vermoedelijk vormden deze de ondersteuning van het dak. Verder zijn er weinig of geen concrete gegevens betreffende de constructie van de muren. Op basis van het gevonden afbraakmateriaal vermoedde De Laet dat de funderingen een dikte hadden van 70 tot 80 cm. In de afvallaag vond hij enkele stenen van de fundering. Het waren onbewerkte stukken Balegemse zandsteen. Sommigen vertoonden nog sporen van een roze mortelspecie. De Laet vermoedde dat het opgaande muurwerk bestond uit paramentstenen met daartussen gietwerk. Dit leidde hij af van de grote hoeveelheid roze specie die hij terug vond in de afvallaag. De aanwezigheid van de paalgaten laat vermoeden dat de muren een geringe hoogte hadden en dat de rest was opgetrokken in hout en latwerk. Van de bevloering zijn slechts enkele kleine fragmenten terug gevonden onder de vorm van hardgestampte kalkmortel vermengd met baksteengruis. Dit gaf het uitzicht van rood-wit gestippelde mozaïek. Er werden ook stukken van tubili (stenen onderdelen van de tubulus) terug gevonden, wat de aanwezigheid van een hypocaustumsysteem liet veronderstellen. Een groot stuk vloerbeton van 10 cm dik dat dit systeem afsloot, gaf zekerheid over deze veronderstelling. Uit alle gegevens die De Laet kon verzamelen, concludeerde hij dat het hier vermoedelijk ging om een gebouw met woonfunctie. Mogelijk een villa, maar deze zijn normaal veel groter van afmeting. De datering van het schervenmateriaal duidt op het midden van de 2de eeuw en de 1ste helft van de 3de eeuw. Een brandlaag ter hoogte van het oude woonvlak laat vermoeden dat het gebouw door een brand is verwoest.

   
Een weergave van het grondplan van de woning op Steenberg. Opgetekend door prof. De Laet in 1947.

Een weergave van het grondplan van de woning op
Steenberg. Opgetekend door prof. De Laet in 1947.