Onderzoek te Leuven

Via geschreven bronnen en mondelinge kanalen waren we te weten gekomen dat er ook archeologische objecten van de site Steenberg zich te Leuven bevonden op twee locaties, nl. in het stedelijk museum Vander Kelen-Mertens en op de afdeling letteren en wijsbegeerte afd. archeologie op de K.U. Leuven. Na contact te hebben opgenomen met prof. Lodewijckx kregen we hier ook de toestemming om dit materiaal allemaal vast te leggen op de gevoelige plaat. Op het zelfde ogenblik hebben we natuurlijk ook deze artefacten aan een eerste studie onderworpen en de nodige nota’s genomen. Toen we op 28/05/2004 ons naar Leuven begaven waren we aangenaam verrast door het warme onthaal van prof. Lodewijckx, die ons met raad en daad heeft bijgestaan. Hij fungeerde ook als contactpersoon met het stedelijk museum Vander Kelen-Mertens. Waarvoor onze hartelijke dank. Eén van de opmerkelijke stukken die we in de collectie van de K.U. Leuven ontdekten, was een prachtige scherf met druiventrosmotief. En ook een tamelijke grote hoeveelheid kleine glasscherven. Samen met de glasscherven in het museum van Aalst geven deze ons een eerste inzicht op de hoeveelheid glazen voorwerpen die er vermoedelijk aanwezig waren op de site. De negen urnen die zich in het museum Vander Kelen-Mertens bevinden, zijn een mooie aanvulling op deze die zich te Aalst bevinden. Een verdere beschrijving en telling van al dit materiaal zal men kunnen terug vinden in het eindresultaat van onze inventarisatie.

Alvorens een artefact te fotograferen, neemt Hubert de nodige nota's.

Alvorens een artefact te fotograferen,
neemt Hubert de nodige nota’s.

 
Romain onderwerpt elk voorwerp aan een nauwkeurig onderzoek.

Romain onderwerpt elk voorwerp
aan een nauwkeurig onderzoek.

 
Hubert bij de tentoonstellingskast van het museum Vander Kelen-Mertens te Leuven.

Hubert bij de tentoonstellingskast van het
museum Vander Kelen-Mertens te Leuven.

Eerste fotoarchivering

Onze volgende stap was contact opnemen met de conservator van het “Oud Hospitaal”, het Stedelijk Museum van Aalst. We wisten dat het grootste gedeelte van het materiaal opgegraven door onderpastoor De Brouwer zich op deze locatie bevond. En we hadden het vermoeden dat niet al deze artefacten tentoon waren gesteld in de twee tentoonstellingskasten van de archeologische afdeling van het museum. Reeds na de eerste ontmoeting met de stadsarcheologe Ann De Block en conservator Luc Geeroms verliepen de eerste contacten vlot. We voelden aan dat deze mensen dit project wel zagen zitten. Ze verleenden hun volledige steun. Na de juiste afspraken te hebben gemaakt, was het zover. Op een zaterdag in het voorjaar van 2004 gingen we over tot de eerste fotosessie. Hier werd alle materiaal gefotografeerd dat in de tentoonstellingskasten lag. Bij de 4 volgende sessies werd het materiaal uit de reserves gefotografeerd. Achteraf bleek er veel meer materiaal aanwezig te zijn dan men zelf vermoedde.

Hubert bestudeert de gladius voor een exacte foto-opname.

Hubert bestudeert de gladius voor
een exacte foto-opname.

 
Hubert bestudeert de gladius voor een exacte foto-opname.

Hubert bestudeert de gladius voor
een exacte foto-opname.

 
Romain neemt vlijtig nota van elk artefact.

Romain neemt vlijtig nota van elk artefact.

 
Hubert in actie bij het fotograferen van een artefact in terra sigillata.

Hubert in actie bij het fotograferen
van een artefact in terra sigillata.

Eerste waarnemingen

Zoals vermeld in voorgaand bericht is het de bedoeling om de geschiedenis van de site Steenberg volledig te herzien en trachten ontbrekende en vage gegevens toe te voegen aan deze belangrijke periode uit de plaatselijke geschiedenis. Ook om misverstanden en verkeerde interpretaties van de volksverhalen en situaties opgetekend tijdens de periode van de opgravingen recht te zetten. En ook om nog ongekende verhalen te ontdekken. Daarom was onze eerste bekommernis de locatie van de site ten velde grondig te leren kennen en de ligging en omgeving volledig in ons op te nemen. Een betere gids als Willy Van Paepeghem konden wij ons niet voorstellen. We contacteerden de huidige eigenaar, Frans Roels, familie van landbouwer G. Van Gijseghem die toen eigenaar was van de hoeve. In het vroege voorjaar 2004 begaven we ons ter plaatse om de nodige waarnemingen te doen. Het was ook die dag dat de eerste ideeën naar boven kwamen om een grootschalige tentoonstelling over deze site te laten plaatsvinden. Hierover meer in volgende berichten. Een week na deze waarnemingen hadden Hubert en ik het genoegen om kennis te mogen maken met Cecille Van Gijseghem. De dochter van G. Van Gijseghem. Deze kranige dame wist ons reeds nieuwe gegevens te vertellen aangaande deze gebeurtenissen. Met deze nieuwe informatie in ons achterhoofd waren we nog vaster besloten om dit project te laten slagen.

Huidige toestand van het veld waar het fanum werd opgegraven.

Huidige toestand van het veld waar
het fanum werd opgegraven.

   
Het veld waar de kleine villa werd gevonden. Achteraan voor de rij bomen vloeit de Vondelbeek.

Het veld waar de kleine villa werd gevonden.
Achteraan voor de rij bomen vloeit de Vondelbeek.

Het prille begin

Toen ik in het najaar 2003 toetrad tot het bestuur van de HK Denderland nam ik me als amateur-archeoloog voor de archeologische geschiedenis van de gemeenten Hofstade en Gijzegem tot op de bodem uit te spitten en zo ook mijn steentje bij te dragen tot de introductie van de archeologie binnen de heemkundige kringen. Al gauw besefte ik dat in onze eigen gemeente de geschiedenis van de opgravingen op de Steenberg van het Gallo-Romeins heiligdom enkel nog voortleefde bij de ouderen. Een opfrissing van dit gebeuren kon dus zeker geen kwaad. Op 31/01/2004 organiseerde de HK Denderland een uitstap naar het museum “Het Pand” te Gent. Ik wist op voorhand dat daar in de afdeling archeologie aandacht werd geschonken aan de opgravingen van Steenberg. Ik was verbijsterd toen ik vaststelde dat veel deelnemers aan de uitstap verwonderd waren over de archeologische schatten van Hofstade. Dit was de aanzet en het startschot om binnen de kring zeker rond dit thema verder te werken. Al gauw rees het idee om een algemene inventarisatie te maken van de voorwerpen gevonden op de locatie. Hubert en ik namen ons voor om op onderzoek uit te trekken. Zonder op voorhand te weten in wat voor een avontuur we zouden terecht komen…

 
De groep deelnemers aan de uitstap naar het museum "Het Pand" te Gent op 31/01/2004.

De groep deelnemers aan de uitstap naar het
museum “Het Pand” te Gent op 31/01/2004.

 
Aandacht voor de archeologische schatten van Steenberg in de tentoonstellingkasten.

Aandacht voor de archeologische schatten
van Steenberg in de tentoonstellingkasten.

Een woning naast het fanum

Op het einde van de maand september van 1947 begint prof. De Laet zijn onderzoek met het graven van twee proefsleuven in NZ-OW richting over de breedte van het veld (11 m). Op een diepte van 40 tot 60 cm. werd er in de eerste sleuf een cultuurlaag aangetroffen met veel tegulae en imbrices en enkele scherven van Romeins aardewerk. Op een diepte van 50 cm werden er in de tweede sleuf uitbraaksporen van fundamenten aangetroffen. Uitbraaksporen zijn geen concrete fundamenten, maar wel wat rest als de fundamenten volledig weggebroken worden en de ontstane ruimte wordt opgevuld met ander materiaal. Tussen deze sporen vond men vooral fragmenten van stenen, kalk, kiezels, mortel en tegulae. Volgens prof. De Laet werd de site in latere periodes uitgebaat als steengroeve, bij gebrek aan andere grondstoffen in de regio. Hierbij vernoemt hij de abdij van Meerhem uit de 11de eeuw. Als gevolg van deze ontdekking vond er een groot archeologisch onderzoek plaats. De Laet liet twee grote vlakken openleggen en enkele bijkomende sleuven graven. Het doel was eigenlijk het bekomen van een volledig grondplan van de constructie. Het eindresultaat was het grondplan van een kleine bescheiden woning. De volledige lengte was 20,90 m en de breedte 10,70 m. De noordelijke, oostelijke en zuidelijke fundamenten zijn recht, de westelijke hebben twee vooruitspringende constructies. Langs de binnenzijde zijn er zes kamers. Vijf zijn rechthoekig en de zesde heeft twee uitsprongen. Vermoedelijk vormden deze uitzetten de aanvang van een trap naar de bovenverdieping. Er was geen kelderruimte. In drie verschillende kamers werden er paalgaten gevonden. Vermoedelijk vormden deze de ondersteuning van het dak. Verder zijn er weinig of geen concrete gegevens betreffende de constructie van de muren. Op basis van het gevonden afbraakmateriaal vermoedde De Laet dat de funderingen een dikte hadden van 70 tot 80 cm. In de afvallaag vond hij enkele stenen van de fundering. Het waren onbewerkte stukken Balegemse zandsteen. Sommigen vertoonden nog sporen van een roze mortelspecie. De Laet vermoedde dat het opgaande muurwerk bestond uit paramentstenen met daartussen gietwerk. Dit leidde hij af van de grote hoeveelheid roze specie die hij terug vond in de afvallaag. De aanwezigheid van de paalgaten laat vermoeden dat de muren een geringe hoogte hadden en dat de rest was opgetrokken in hout en latwerk. Van de bevloering zijn slechts enkele kleine fragmenten terug gevonden onder de vorm van hardgestampte kalkmortel vermengd met baksteengruis. Dit gaf het uitzicht van rood-wit gestippelde mozaïek. Er werden ook stukken van tubili (stenen onderdelen van de tubulus) terug gevonden, wat de aanwezigheid van een hypocaustumsysteem liet veronderstellen. Een groot stuk vloerbeton van 10 cm dik dat dit systeem afsloot, gaf zekerheid over deze veronderstelling. Uit alle gegevens die De Laet kon verzamelen, concludeerde hij dat het hier vermoedelijk ging om een gebouw met woonfunctie. Mogelijk een villa, maar deze zijn normaal veel groter van afmeting. De datering van het schervenmateriaal duidt op het midden van de 2de eeuw en de 1ste helft van de 3de eeuw. Een brandlaag ter hoogte van het oude woonvlak laat vermoeden dat het gebouw door een brand is verwoest.

   
Een weergave van het grondplan van de woning op Steenberg. Opgetekend door prof. De Laet in 1947.

Een weergave van het grondplan van de woning op
Steenberg. Opgetekend door prof. De Laet in 1947.

De cultus

De komst van de Romeinse godsdienstbeleving heeft de plaatselijke godsdienst niet doen verdwijnen. De verering van Keltisch/Germaanse godheden bleef belangrijk in onze gewesten. Door de Romeinen werden er ook enkele oosterse goden en godinnen naar onze streken gebracht, gepaard gaande brachten zij hun vreemde cultussen mee. In onze streken is vooral de moedergodin Kybèlè een gegeerde godin om te vereren (gevonden te Harelbeke, Hofstade, Tongeren). Een niet onbelangrijk gegeven is de vereenzelviging van de Romeinse goden met de plaatselijke Keltische/Germaanse goden. De cultus waaraan de tempel is gewijd, past volledig in het tijdsbeeld dat we voor ogen hebben van de toen gangbare cultussen. Als we de vergelijking doortrekken naar andere opgravingen en vondsten van het zelfde type heiligdommen, komt men tot de vaststelling dat er op de site van Hofstade vrij veel fragmenten gevonden zijn van votiefbeeldjes. De statuetten van de beeldjes zijn toegeschreven aan Minerva, Venus, Cybelle en de inheemse Mater. Het aantreffen van deze beeldjes is een typisch voorbeeld van godsdienstvermenging: Venus en Minerva behoren tot het klassieke Romeinse pantheon, Cybele is een populaire oosterse vruchtbaarheidsgodin en Mater een inheemse.

 Een terracottabeeldje met de afbeelding van de godin Venus, afkomstig van het Gallo-Romeins heiligdom te Hofstade.

Een terracottabeeldje met de afbeelding
van de godin Venus, afkomstig van het
Gallo-Romeins heiligdom te Hofstade.