Eerste waarnemingen

Zoals vermeld in voorgaand bericht is het de bedoeling om de geschiedenis van de site Steenberg volledig te herzien en trachten ontbrekende en vage gegevens toe te voegen aan deze belangrijke periode uit de plaatselijke geschiedenis. Ook om misverstanden en verkeerde interpretaties van de volksverhalen en situaties opgetekend tijdens de periode van de opgravingen recht te zetten. En ook om nog ongekende verhalen te ontdekken. Daarom was onze eerste bekommernis de locatie van de site ten velde grondig te leren kennen en de ligging en omgeving volledig in ons op te nemen. Een betere gids als Willy Van Paepeghem konden wij ons niet voorstellen. We contacteerden de huidige eigenaar, Frans Roels, familie van landbouwer G. Van Gijseghem die toen eigenaar was van de hoeve. In het vroege voorjaar 2004 begaven we ons ter plaatse om de nodige waarnemingen te doen. Het was ook die dag dat de eerste ideeën naar boven kwamen om een grootschalige tentoonstelling over deze site te laten plaatsvinden. Hierover meer in volgende berichten. Een week na deze waarnemingen hadden Hubert en ik het genoegen om kennis te mogen maken met Cecille Van Gijseghem. De dochter van G. Van Gijseghem. Deze kranige dame wist ons reeds nieuwe gegevens te vertellen aangaande deze gebeurtenissen. Met deze nieuwe informatie in ons achterhoofd waren we nog vaster besloten om dit project te laten slagen.

Huidige toestand van het veld waar het fanum werd opgegraven.

Huidige toestand van het veld waar
het fanum werd opgegraven.

   
Het veld waar de kleine villa werd gevonden. Achteraan voor de rij bomen vloeit de Vondelbeek.

Het veld waar de kleine villa werd gevonden.
Achteraan voor de rij bomen vloeit de Vondelbeek.

Een woning naast het fanum

Op het einde van de maand september van 1947 begint prof. De Laet zijn onderzoek met het graven van twee proefsleuven in NZ-OW richting over de breedte van het veld (11 m). Op een diepte van 40 tot 60 cm. werd er in de eerste sleuf een cultuurlaag aangetroffen met veel tegulae en imbrices en enkele scherven van Romeins aardewerk. Op een diepte van 50 cm werden er in de tweede sleuf uitbraaksporen van fundamenten aangetroffen. Uitbraaksporen zijn geen concrete fundamenten, maar wel wat rest als de fundamenten volledig weggebroken worden en de ontstane ruimte wordt opgevuld met ander materiaal. Tussen deze sporen vond men vooral fragmenten van stenen, kalk, kiezels, mortel en tegulae. Volgens prof. De Laet werd de site in latere periodes uitgebaat als steengroeve, bij gebrek aan andere grondstoffen in de regio. Hierbij vernoemt hij de abdij van Meerhem uit de 11de eeuw. Als gevolg van deze ontdekking vond er een groot archeologisch onderzoek plaats. De Laet liet twee grote vlakken openleggen en enkele bijkomende sleuven graven. Het doel was eigenlijk het bekomen van een volledig grondplan van de constructie. Het eindresultaat was het grondplan van een kleine bescheiden woning. De volledige lengte was 20,90 m en de breedte 10,70 m. De noordelijke, oostelijke en zuidelijke fundamenten zijn recht, de westelijke hebben twee vooruitspringende constructies. Langs de binnenzijde zijn er zes kamers. Vijf zijn rechthoekig en de zesde heeft twee uitsprongen. Vermoedelijk vormden deze uitzetten de aanvang van een trap naar de bovenverdieping. Er was geen kelderruimte. In drie verschillende kamers werden er paalgaten gevonden. Vermoedelijk vormden deze de ondersteuning van het dak. Verder zijn er weinig of geen concrete gegevens betreffende de constructie van de muren. Op basis van het gevonden afbraakmateriaal vermoedde De Laet dat de funderingen een dikte hadden van 70 tot 80 cm. In de afvallaag vond hij enkele stenen van de fundering. Het waren onbewerkte stukken Balegemse zandsteen. Sommigen vertoonden nog sporen van een roze mortelspecie. De Laet vermoedde dat het opgaande muurwerk bestond uit paramentstenen met daartussen gietwerk. Dit leidde hij af van de grote hoeveelheid roze specie die hij terug vond in de afvallaag. De aanwezigheid van de paalgaten laat vermoeden dat de muren een geringe hoogte hadden en dat de rest was opgetrokken in hout en latwerk. Van de bevloering zijn slechts enkele kleine fragmenten terug gevonden onder de vorm van hardgestampte kalkmortel vermengd met baksteengruis. Dit gaf het uitzicht van rood-wit gestippelde mozaïek. Er werden ook stukken van tubili (stenen onderdelen van de tubulus) terug gevonden, wat de aanwezigheid van een hypocaustumsysteem liet veronderstellen. Een groot stuk vloerbeton van 10 cm dik dat dit systeem afsloot, gaf zekerheid over deze veronderstelling. Uit alle gegevens die De Laet kon verzamelen, concludeerde hij dat het hier vermoedelijk ging om een gebouw met woonfunctie. Mogelijk een villa, maar deze zijn normaal veel groter van afmeting. De datering van het schervenmateriaal duidt op het midden van de 2de eeuw en de 1ste helft van de 3de eeuw. Een brandlaag ter hoogte van het oude woonvlak laat vermoeden dat het gebouw door een brand is verwoest.

   
Een weergave van het grondplan van de woning op Steenberg. Opgetekend door prof. De Laet in 1947.

Een weergave van het grondplan van de woning op
Steenberg. Opgetekend door prof. De Laet in 1947.

Beknopt historisch overzicht van de site

1935: Landbouwer G. Van Gijseghem vindt bij de aanleg van een aalput enkele scherven en een volledig urntje.

1946: Tijdens een bezoek aan de landbouwer bemerkt onderpastoor De Brouwer (plaatselijke historicus) het urntje. Van 6 tot 9 augustus voert hij naast de bewuste aalput een beperkte opgraving uit. Op 1,70 m diepte vindt hij de eerste opstapeling van Romeinse vondsten, waarbij een zwaard (gladius). In oktober 1946 liet de onderpastoor op 100 m van zijn opgraving drie putten graven en stootte daarbij op een laag doorspekt met Romeinse dakpannen.

1947: Landbouwer G. Van Gijseghem liet geen opgravingen meer toe. Op 7 juli 1947 deed hij zelf een poging om een opgraving te verwezenlijken, zonder het verhoopte resultaat. Op 16 september 1947 wordt aangevangen met uitgebreide opgravingen die leiden tot het ontdekken van een Romeinse woning.

1949: In januari 1949 ontdekt landbouwer C. Roels bij het plaatsen van een paal de funderingen van een muur. Weer komen Romeinse voorwerpen te voorschijn.

1950: De opgravingen die doorgingen van 27 februari tot 14 maart leidden tot het ontdekken van een Gallo-Romeins heiligdom.

1951: Van 5 maart tot 17 maart 1951 werden bijkomende opgravingen gedaan langs de zuidkant van het heiligdom. Dit leidde tot sporen van een vermoedelijke nederzetting. Van 10 september 1951 tot 18 september 1951 werden verdere opgravingen gedaan langs de westelijke zijde van het heiligdom. Hierbij ontdekte men een afvalput met verbrande resten die vermoedelijk afkomstig waren van een eerste tempeltje

2006_2Een beeld van de opgravingen met op de voorgrond onderpastoor De Brouwer. (c) Universiteit Gent dossier prof. dr. J. S. De Laet.

Wie graag deze geschiedenis uitgebreid leest kan dit in de brochure: “Hofstade onder de archeologische loep” die is uitgegeven naar aanleiding van de tentoonstelling over deze site in september 2005.

De ligging van de site Steenberg

De site Steenberg ligt ten zuidoosten van de Vondelbeek en ten noordoosten van de Kortenhoekstraat. Ten noordoosten strekken zich de voetbalvelden van Wilskracht Hofstade uit, en voor de rest open land.Steenberg is een lichte natuurlijke verhevenheid in het landschap. Volgens de topografische kaart ligt de voet van de helling langs de hoogtelijn van 11,25 m. en de top er van ligt op een hoogte van 12,75 m. Volgens professor De Laet bestaat de ondergrond uit quartair zand met hieronder zandig lediaan. Langsheen de Vondelbeek werd alluviale klei aangetroffen. Op de meest recente kaarten wordt de ondergrond ingekleurd als droge zandleembodem, de gronden rond de Vondelbeek zijn natte zandleembodems.

2006_01

Verslag 1ste werkdag: zaterdag 04/11/2006

A real dream comes true. Na eindeloos heen en weer gepalaver tussen de verschillende instanties die dit project mee moeten doen slagen, is het eindelijk zo ver. Op zaterdag 4 november 2006 is de aftrap gegeven van een mastodontproject in een lokaal van “Het Oud Hospitaal” dat ons ter beschikking is gesteld door het Stedelijk Museum Aalst. We zijn die dag van start gegaan om hopelijk tot een prachtig en wetenschappelijk verantwoord resultaat te komen. Maar om te beginnen … Over welke site gaat het hier? Welk materiaal valt er hier te inventariseren ? Wat is het nut daarvan? En wat heeft uiteindelijk de Heemkundige Kring Denderland (Hofstade – Gijzegem) met zoiets te maken? Ik zal trachten in duidelijke en klare taal hierover uitleg te geven in volgende blogs.